Zeven (2)

Zeven jaar samen

Eind 2012 ging ons zevende jaar als koppel in. Het zou bekroond worden met een trouw in 2013 en klaarmaken voor een reis als gezin naar de States

En toen … toen kantelde er iets.

Met Kerst 2012 lag mijn moeder in het ziekenhuis na een ernstige zelfmoordpoging.
In de lente van 2013 werd mijn schoonvader behandeld voor keelkanker en leek mijn mama op enkele maanden tijd recht te krabbelen uit een depressie die jaren had geduurd.

Op onze trouw in augustus, waar ze als een wildevrouw in de coulissen stond, brandde ze van een overdaad aan energie. Ze brandde op wat er nog restte van haar leven.

In de (na)zomer van 2013 ging mijn moeder van klauterend uit de depressie naar psychose naar suïcidaal, na het wegvallen van antidepressiva die ze al twee decennia non-stop had genomen. Ze ondernam een nieuwe maar halfslachtige poging tot tocht naar gene zijde in de winter.

We brachten intussen ons huis in orde, om het te verhuren tijdens ons Amerika-avontuur, en het was zwaar: nadat er enkele structurele problemen waren opgedoken hadden we veel werk in een drukke periode met weinig geld. Kamers timmeren, dak isoleren, gyproc zetten met handige Harry schoonbroer en andere familieleden en vooral veel druk op de schouders. Ik was net een nieuwe job begonnen in Amsterdam, waar ik drie nachten per week logeerde.

Een herfstvakantie om nooit te vergeten

Het dak isoleerden we met de houtvezelisolatie die ik absoluut moest hebben om mijn ecologische hart te sussen. Het merk, Pavaflex, werd een beladen term. Bij levering was een fout gebeurd. De pakketten isolatie stonden tot het plafond gestapeld in de hele leefruimte. De houtvezels prikten enorm in de ogen, waren moeilijk te versnijden en verlengden het werk met ettelijke dagen.

In de trieste “Pavaflex-herfst” bracht ik moeders in huis plassende kat, voor wie ze niet meer zorgen kon, weg naar het asiel, in de week dat we isoleerden. De herfsvakantie, waarin ze verjaarde, de tristesse van de kerkhofen op Allerheiligen. En de geur van houtvezels.

In de herfst nam ik afstand van mijn mama, in de maanden waarin ze plots niet meer mailde, en het slechter en slechter ging. Ik voel me er zo vaak nog schuldig over. Maar het ging toen niet meer; de zomer was zo intens geweest, zo zwaar, zo eng ook om mijn moeder te zien opstaan uit te doden en plots energie te zien hebben voor drie personen. In oktober was het bij me op. En in die periode kelderde zij de dieperik in.

In december deed ze, uitgedoofd, een nieuwe zelfmoordpoging. En dan weer in die kliniek. Weer in die kliniek. De lange gangen vol verdriet waar ik een halve jeugd had gesleten, op bezoek bij een uitgebluste moeder in de psychiatrische instelling, op bezoek bij een vader die er ook kort had gezeten. En nu opnieuw, deze keer pampers verversend van mijn zoon in de wc’s van de naar formica geurende cafetaria.

Met Kerst 2013 werd mijn schoonvader opgenomen in het ziekenhuis met uitzaaiingen in de longen. Mijn moeder mocht overdag naar haar eenzame appartement terug, sliep ’s nachts in de kliniek. Haar dagen waren “stillekens”, zoals ze zei als we vroegen hoe het ging.

The land of opportunity

Wij intussen raceten voort in begin 2014, om op tijd in de VS te geraken. Paspoorten regelen, een plek zoeken om te wonen. Allerlei klusjes in huis om het verhuurklaar te maken. Een huurder zoeken. Om 2u ’s nachts nog een kookplaat vervangen. Te elfder ure nieuwe rookmelders hangen met mijn vaders hulp. En op conferentie naar Israël. Toen ging ook mijn laptop stuk. En solliciteerde ik voor een professorpositie in Leuven.

In februari 2014 vertrokken we naar the land of opportunity, uitgeput. Een beeld voor altijd op het netvlies gebrand: mekeppeke die nog de laatste dingen in huis wil dweilen maar het eigenlijk niet meer kan, ik die boos word, zij die, uitgeput, huilt, in het West-Vlaams: “kusjen, moet kusjen!”. Mijn vader die sust en helpt. Hij was er, die herfst en die winter. Hij was er voor ons. Mijn vader die altijd opdook, met de oranje trui die we nu nog zijn Pavaflex-pull noemen. Hij repareerde kasten en onze ziel.

We vlogen naar de VS op 22 februari 2014. Mijn moeder was er niet bij om afscheid te nemen, te diep in depressie en angsten voor de week erop, toen ze verplicht in dagtherapie zou gaan, en alleen thuis zou moeten slapen, maar het echt niet zag zitten. En mijn schoonvader, die huilde in zijn prachtig mannelijke leren jas, hij huilde bij het afscheid. Hij was een emotioneel man, die het opkropte en soms de vulkaan van tranen niet kon stoppen. Maar nu was het meer, het leek of hij voelde dat het de laatste keer zou zijn dat hij zijn dochter zou zien.

We vertrokken. De dingen des levens. Bokes eten op donker vasttapijt in de luchthaven. Onze jongen, nog geen twee jaar oud, die we probeerden wakker te houden maar die dan toch in slaap viel bij onze overstap in Londen. En dan de eerste helft van de 11 uur durende vlucht wakker was en het vliegtuig op stelten zette. Uit kostenbesparende redenen hadden we voor hem geen aparte stoel maar een kinderzitje -toegestaan tot de leeftijd van twee jaar. Hij was anderhalf en barstte uit de stoel, wou er niet inzitten. Ons ongeluk herleidt tot het kleine geluk van de familiale ongemakken.

Uitgeput kwamen we aan op de luchthaven in San Francisco. De autoverhuurder vroeg me smalend vroeg of ik niet nog eens met mijn vrouw moest overleggen over de upgrade van de wagen die hij ons wilde aansmeren. Met denkbeeldige stokjes tussen de oogleden reden we naar ons Airbnb-appartement in een grauwe building, waar we de eerste twee weken zouden verblijven, in afwachting van ons familiehuis op Stanford campus. Moe, uitgeput, kinderen in bed, 23u30 in het beloofde land, alreeds halfnegen ’s morgens in België. Nog een mailtje naar het thuisfront, goed toegekomen, de ogen sloten zich herhaaldelijk tijdens het typen.

Wat denk je dan?

En dan … een nieuwe start. ’s Morgens naar de gigantische supermarkt op Amerikaanse leest geschoeid en het voelen tintelen van de zin om te koken en te verkennen. Paprika in de pan voor ’s middags warm. Met de kinderen de rekken door slenteren en een pot speculaaspasta “from Belgium” ontdekken. En in de namiddag een speeltuin opzoeken, ja toch?

Thuis, op het Airbnb-appartement, een berichtje van mijn broer. Mijn oudere broer, de sterkhouder. “Bert, kan je me zo snel mogelijk terugbellen?”

Wat denk je dan?

Dat het ergste daar is.

Dat ze eindelijk de weg naar de overkant heeft gevonden.

Ik bel met broer. Hij bevestigt.

Poging zoveel, geslaagd.

En ik had haar nog uitgelegd hoe Skype werkte, en bonenburgers gemaakt met de kinderen die met mij mee de trein naar haar toe hadden genomen een week voordien. Ik heb het treinticket een tweetal jaar geleden uit mijn portefeuille genomen, zodat het niet helemaal zou vervagen.

Boehoehoe.

De rest van de dag werd zitten in een speeltuin en wenen en praktisch regelen. Mijn zoon speelde naast me in de zandbak en het speelhuisje, onder een lentezon van 17 graden in februari in het kurkdroge Silicon Valley.

Ik weende,

ik weende.

Als ik hem nu, zeven jaar later, zie opgaan in zijn spel buiten, voel ik nog dat verdriet.

Hetgeen mij toen het ergste trof: nu zou ik mijn kindjes niet meer kunnen delen met mijn mama.
Geen “hij zegt al papa, Bert!” meer als we op haar appartement toekomen.
Niet meer horen hoe flink de dochter met de poppen speelt.
Of ikzelf niet meer vertederd boos worden omdat knutseloma de kinderen hun kleren vol onuitwisbare verf heeft laten kladden.

Mama, het spijt me, Skype uitgelegd maar wat mocht het baten?
Ik vertrok naar de States toen je het niet meer zag zitten.
Het spijt me zo.
Het spijt me.
Het spijt me.

De wetsdokter stelde je uur van overlijden vast rond het tijdstip van de email die ik verstuurde met het nieuws dat we goed waren aangekomen.

Had je die gelezen?

We regelden een terugtocht, voeten in de aarde. De sleutel van het Amerikaanse appartement brak in de voordeur, de verhuurder was begripvol. De kredietkaart weigerde dienst en ei zo na mochten we niet mee het vliegtuig op, misten we de begrafenis.

Mijn bazin in Stanford, een Russische taaie tante van een jaar of zeventig, had me voorgesteld dat werken goed zou zijn, zo had haar man ook het overlijden van zijn moeder verwerkt.

Twee weken keerden we terug naar België. We verbleven in het lege huis van vrienden die op vakantie waren, snoven de Belgische lente op, praatten met mensen. Ik werkte ’s avonds laat de aanvraag af voor een professorpositie in Leuven (die ik toen niet binnenhaalde), nadat de kinderen in bed lagen en we “Bunny Hop” hadden gespeeld met opa en driejarige dochter. Of nadat we “Wauters vs. Waes” hadden gekeken onder ons tweetjes.

Op en af naar de VS (bis)

Klaar voor het tweede Amerika-avontuur: mijn vader zette ons af voor de herstart.

Na die twee weken van rouwen met naasten, vertrokken we opnieuw naar de VS. We leefden regelmatig, mekeppeke zag wat af, alleen stond ze in voor de zorg van twee jonge kinderen. Ik werkte van 8u30 tot 18u00. Ik dacht toen dat het meeviel – maar let’s be honest, ik zat vaak tot ’s avonds laat nog te pingelen op de laptop aan artikels en wiskundige formules. Zij bakte heerlijke chocolate chip cookies of havermout-rozijnen koekjes, met die geweldig makkelijk cup-maatjes waarmee ze bakken in de States. In de weekenden hadden we geregeld Belgisch bezoek, of gingen we een park, een stad of een nabijgelegen markt of kermis bezoeken. Fijn allemaal. 1 keer huilde ik, alleen onderweg met de wagen toen ik mijn social security card ging ophalen. Plots en heftig mama missen, en dan de rangen sluiten.

We rouwden alleen, mekeppeke en ik. Ook al was het huis piepklein, we vonden elkaar niet. Zij voelde zich schuldig om dingen die waren gebeurd in de laatste woelige zomer van mijn moeders leven. Ik vond het moeilijk om dan mijn verdriet te tonen, ik dacht te voelen dat ik haar moest troosten.

In juni nieuws uit Watou: het ging slechter met mijn schoonvader. Hij was toen in het proces van de familieboerderij te verkopen, samen hadden mijn schoonouders een nieuw huis gekocht, om te “rentenieren” zoals ze het daar noemen, om uit te bollen. Schoonmama en schoonpapa op pensioen na een hard leven. Hij is nooit in het uitbolnestje geraakt. Mijn lieve schoonmoeder dacht dat hij zou herstellen “want hij is er al twee keer doorgeraakt”. Dat zijn huidige longaandoening een uitzaaiing was van de keelkanker van een jaar eerder zag ze niet.

De situatie verslechterde snel. Wat een gepland verblijf was in California tot eind augustus werd korter. Mekeppeke vloog in juni al een week op en af om haar vader nog te zien, nadat de huisarts telefonisch had gezegd dat het wel eens de laatste weken konden zijn. Uiteindelijk keerden we samen terug naar ons land van herkomst begin juli, een goede maand vroeger dan gepland.

Terwijl mekeppeke bij haar vader waakte en hielp op de boerderij, zorgde ik voor de kinderen. Het werd een maand van rondzwerven voor ons, nergens kon ik langdurig heen: mijn vader had zijn huis verkocht en woonde bij zijn stokoude moeder. Mijn broers hadden volle huizen, naar de schoonfamilie kon ik niet want daar lag een man op sterven. We hadden niet veel geld – het Amerika-avontuur had onze spaarcenten opgesoupeerd. Een maand lang iets huren zat er niet in. Ik verbleef in huizen en appartementen van vrienden en familie. In de dagen dat die toevallig leeg stonden mochten we er blijven, daar blijven we heel dankbaar voor. Ik verhuisde een keer of zes, zeven op 4 weken tijd, met twee jonge kinderen. Om de paar dagen een appartement of een huis poetsen, met Radio 1 op de achtergrond, om 22-23u ’s avonds. Sindsdien kan ik geen radio-verslaggeving van voetbalmatchen meer horen.

Ik bereidde toen een conferentie voor die in september zou starten en die ik organiseerde met een jonge collega. Iets goed voor op de cv, dat. Ik zag het niet zitten en deed het toch. ’s Nachts brulde ik eens op de onwennig wenende kinderen dat ze me moesten laten slapen, dat ik ook moe was. Ik huurde een studiootje aan de zee om twee dagen bij vrienden te kunnen zijn. Mistroostig was het, het laatste wat Immoweb te bieden had. Klein, sigarettenbruin en met een geurtje. En ’s morgens stond ik weer te poetsen, terwijl de vrouw voor haar vader zorgde, zijn persoonlijke palliatieve verpleegster.

Mijn schoonvader overleed begin augustus 2014. We trokken weer als gezin in ons eigen huis de week erna. De begrafenis was achter de rug, we maakten ons op voor alweer een schooljaar.

Belofte van beter

Het academiejaar dat volgde werkte ik hard in Amsterdam. Ik voelde me niet goed in mijn vel en wist niet waarom. Ik keek vooruit naar de onzekere toekomst in de academische wereld, de strohalmen van beurzen die een vaste positie en zekerheid zouden, kunnen, mogen geven.

En dan: in 2015, zagen we iets wat we al lang zochten: de kans op een nieuwe woning, meer ons ding, beter geschikt voor de kinderen, beter geschikt voor onze geplande gezinsuitbreiding, beter geschikt voor onze vrije tijdsplannen.

Na lang zoeken naar de charmante herenwoning binnen ons budget die perfect aan onze volstrekt redelijke (kuch) eisen voldeed, zagen we een bouwgrond om de hoek, mooi gelegen, goed geprijsd. Kans op vormgeven naar onze nukken en grillen.

We sloegen toe, beslisten snel, ons nieuwe nestje wachtte op ons!

Er lonkte voor ons een mooie nieuwe toekomst, toch?

Lees binnenkort verder

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *