Verboden op het werk te komen

1 jaar ziekteverlof

Een jaar lang ben ik niet uit werken gegaan. Een burnout noemen velen het, onder wie mijn psycholoog. Op het document voor het ziekenfonds omschreef mijn huisarts mijn conditie voorzichtig als “dysthymie” en “surmenage”. De psychiater sprak van een depressie. Zelf ervaarde ik het (en ervaar ik het nog steeds) als een angst- & paniekstoornis.

Een jaaroverzicht van langzaam herstel.

Augustus 2020

De dokter dringt aan: na de vakantie die ik nog vlug plan, moet ik echt mijn werk neerleggen of zij onderneemt stappen. (ik vrees daarin te horen: opname). Ik wil een laatste keer proberen rust te vinden. “Want een week zal veel veranderen!” zeg ik, trillend van de spanning. (NOT!)

Ik ben van huisarts veranderd en deze keer stuurde ze mij niet weg maar klampt ze aan. Da’s nieuw voor mij – een huisarts die ook vertrouwenspersoon is, kan dat dan? Wauw!

Ik vlucht weg, de laatste dag dat vrij reizen is toegelaten naar Finland, 10 augustus 2020. Er zitten vrienden van vroeger, ooit vrienden van mijn ouders, op hun eilandje voor de kust. Ik weet niet waar gaan: ik wil alleen zijn maar ben bang om mezelf wat aan te doen. Elk moment alleen, zittend, is een kwelling. Ik voel me elke dag of ik afkick van enorme drugsverslaving (ik kick ook af, denk ik, van een werkverslaving).

De dokter wil antidepressiva opstarten en ik ben doodsbang. Na lange periodes van werk, wanneer ontspanning komt, weet ik: dan komen de gedachten van zelfmoord en zelfbeschadiging. Dat heb ik na elke beursaanvraag, na elke zware periode op het werk.

En met het stoppen met werk zal de opstart van antidepressiva komen – net dan worden die gedachten versterkt volgens de bijsluiter. Ik ben doodsbang. 

Bang ook om als mijn vader bipolair te zijn, manisch depressief. En daarbij hoort: op antidepressiva reageren met een manie, hyperactief worden, en onherroepelijk opgenomen in de psychiatrie. Dat niet! Daar heb ik mijn ouders te hard zien afzien.

Altijd angst voor de verandering, nu des te meer.

In Finland ontdek ik dat ontspannen niet meer gaat. Zolang ik niet alleen ben gaat het niet. Ik mediteer, luister muziek op Spotify op mijn smartphone, maar schiet in gigantische angst en paniek, vol adrenaline, als ik maar aan mijn GSM denk. Een telefoontje met iemand van het oudercomité bezorgt me een gigantische stresspiek. Ik werk het uit op mijn vrouw aan de telefoon (ocharme). Ook hier word ik elke nacht na enkele uren wakker en kan ik niet slapen. Wanneer ik me overdag even focus op iets, zoals een voorbijvliegende vogel, mijn ademhaling … val ik direct in slaap, om na tien minuten wakker te schieten: “Er moet nog dit! en dat!”

Ik kom terug thuis en heb gezien dat ik leger ben dan ik dacht. Wenend zat ik met de laptop op schoot voor een beeld van mijn vrouw en kinderen. Dat wil ik terug. Ik kom thuis en spreek het uit.

Twee jaar ben ik in mijn hoofd weg geweest. “Waar is mijn leven naartoe? Waar is ons leven naartoe?” Het doet pijn om het onder ogen te zien en het is tegelijk een beetje bevrijdend: ik kan nog steeds een glimp zien van het normale leven. Er is hoop.

September 2020

De eerste schooldag, ik zet de kinderen af. “Joepie, ik ga wandelen! Dat gaat me deugd doen!” Met de fiets wil ik een paar kilometer verder gaan en daar starten. Maar na een paar honderd meter trappen is het op. Ik wandel, 1 km, ik kan niet meer. Ik sleep me erdoor. 

Mijn geest wil niet stoppen, bedenkt een refrein voor een nummer over mijn moeder dat in mijn hoofd zat. Ik ben uitgeput.

Andere ouders zien me ’s namiddags aan de schoolpoort en kijken raar. Later hoor ik dat ze aan Evelien vroegen hoe het met me gaat – ik zag er echt niet goed uit.

De tranen kwamen bijna in het bijzijn van anderen. Voor een binnenvetter als ik wil dat wat zeggen.

Ik besluit de volgende dagen om niet meer slecht te slapen. De paniek die ik voel elke avond bij het slapengaan ten spijt, stop ik samen met mekeppeke de kinderen in bed, zet ik de ventilatie-unit af, speel een paar noten gitaar en erna zet ik me een uur in de zetel voor ik, met toevallende ogen, in bed kruip. Elke dag hetzelfde ritueel. Een beetje tekenen in de zetel, wat prullen, wat staren. Het lukt, met geduld. De eerste paar nachten word ik wakker, lig ik uren, bijna de hele nacht, wakker in bed, ten prooi aan de akeligste gedachten, angsten, hartkloppingen. Ik sluit met mezelf een pact dat ik niet meer, zoals de twee jaar voorheen, het advies van een psycholoog en dokter Google volg en opsta als ik niet kan slapen, om dan uren in de zetel te zitten, voor donkere ruiten, in oplevende paniekaanvallen, brrrr. Na een week slaap ik door. Ik voel de siddering van opluchting door mijn lijf terwijl ik dit schrijf: het einde van de nachtelijke gevangenis! Eindelijk!

Oktober 2020

We gaan het eerste weekend van oktober naar de zee als gezin.  Mijn vader komt ook enkele dagen. Wij met ons vier in een stacaravan, hij in zijn bus, zijn rijdend huis. Er moet niets, behalve daar zijn. ’s Ochtends val ik starend in slaap in de zetel. Ik probeer te tekenen en krijg een angstaanval. Dan maar wat verder zitten staren. Mijn zoontje zit naast me terwijl de meiden gaan winkelen. We vallen samen in de armen van Morpheus. 

In de namiddag lopen we over het strand, 2 kilometer tot een restaurant. Evelien roept: “sparen Bert!” als ik dol met de kinderen. We rapen schelpen. Het zoeken bezorgt me meteen een paniekaanval. Ze gaat na een half uur liggen. We gaan eten en het lukt me. Ik ben zo blij.

’s Anderendaags gaan we naar Luik-Bastenaken-Luik kijken met mijn vader. Ik heb plots helemaal geen zin, ben op. Gelukkig wil hij eerst wat rusten. Ik zet me een half uur in de zetel, zit te niksen, te staren, en het gaat weer. We beleven een intens moment als we Julian Alaphilippe te vroeg zien juichen en onze chouchou Roglic zien winnen.

De derde dag (een pedagogische studiedag) eten we ter afsluiting een croque monsieur op cafe. Het is weer op. Tot mijn grote verbazing kan ik ook hier tot mezelf komen. Enkele minuten diep in en uit ademen met mijn ogen dicht boven de croque en het lukt me om een uur aanwezig te zijn en te genieten van de toast en mijn familie.

November 2020

Eind oktober hadden we als gezin corona. We zaten in de herfstvakantie (die een corona verlenging kreeg) samen twee weken thuis in quarantaine. Het werd … geweldig – met dank aan vrienden en familie die ons bevoorraadden. Geen buitenwereld, geen kinderen van school halen, of wegdoen naar de logopedist. Geen andere ouders die hier willen blijven plakken nadat de kinderen zijn opgehaald of afgezet en ik die niet durf te zeggen dat het echt niet gaat. 

Na een week komt er een ritme. Ik baken mijn tijd af voor de kinderen: ’s ochtends ontbijten we samen, spelen we een beetje, ruimen we wat op. Ik kruip achter mijn piano en oefen wat suggesties van de pianoleraar of speel een popnummer na met gebroken zang. Erna zit ik minstens een half uur met een tas thee te zitten in de zetel. Ik kijk, ik dommel in, ik kom tot rust. En dan komt rond 11u30 mijn moment. Boven, achter bureau, wat gedachten neerpennen, die de voorbije 24u in me zijn opgekomen. Een uur tot anderhalf uur stoom afblazen, wegschrijven, met vele kleine pauzes voor een tas thee en wat donkere chocolade. Trauma’s, plannen, ideeën. Na het middageten samen de afwasmachine inladen een dutje doen, met de kinderen en vrouw op zolder in de zetel en op bed. ’t Is te zeggen: moeder en vader een dut, zoonlief soms, dochter lost sudoku’s op of leest. Erna wat buiten in de tuin werken, een kwartiertje, niet langer, want dan komen de kwelgeesten en de stress op de nek boven. Samen een fruitje eten rond 16u. Een laatste uurtje dingen wegschrijven die in de geest rondzwerven en de WhatsApp en mailbox bekijken, eten maken en samen wat doen. Gezelschapsspelletjes, waaraan ik nog niet deelneem wegens te uitputtend, onze zoon ontdekt “John Cena!”, gekke internetfilmpjes (“memes, papa!”) over een Amerikaanse worstelaar, we lachen honderuit met Youtube, kijken Karrewiet op Ketnet samen en enkele keren een “Buiten de Zone” (jeugdnostalgie!) voor het slapengaan.

Ik begin uit het niets gedichten te schrijven en maak nieuwe muzieknummers (het eerste dat ik maakte, in september, bezorgde me een knoert van een angstaanval. Want “Dit is de uitweg uit het werk”. Er komt wat ontspanning bij.)

We kopen een vuurschaal en roosteren marshmallows terwijl de vrieskou lonkt.

We hebben dagroutines: woensdag kijk ik met mijn zoon naar een actieserie met popcorn, de meiden kijken hun eigen ding, donderdag nemen we een drankje (Wostok-limonade), vrijdag een taartje van de bakker en ’s avonds een familiefilm, zondag maken we zelf brunch met lekkers.

De routines houden we de rest van het schooljaar redelijk aan.

December 2020

Mijn eerste ziektebriefje zit er bijna op. In november (denk ik toch) kwam er een kaartje van de afdeling Theoretische Fysica, met beste wensen en beterschap. Iets erna een mand met lekkernijen van het departement Natuurkunde en Sterrenkunde. Ik kreeg er gigantische paniekaanvallen van. Een dag of vijf slaap ik slecht na het lezen van het kaartje: “Nu moet ik daarop antwoorden!”, “Wat moet ik zeggen!”, “Help!”

Ik begin te beseffen dat mijn toestand in de eerste plaats te maken heeft met het werk, en dat de andere problemen, zoals de druk rond ons nieuwe huis dat niet helemaal in orde is, de ruzies en wanhoop met mijn schatteke, zelfs de gedragsmoeilijkheden van mijn zoon, voornamelijk gevolg zijn eerder dan oorzaak. En dat niet alles zomaar toe te schrijven is aan het privéleven met dodelijke ziektes, overleden ouders en depressieve genetica.

De departementsvoorzitter wil contact opnemen, in verband met dringende zaken: mijn tenure track evaluatie dient uitgesteld, actie van mijn kant is nodig.

Ik zal hem terugbellen na het weekend, de gedachte verlamt me enkele dagen. Ik krijg niets meer gedaan, mijn hersenen voelen aan alsof ze smelten, mist in het hoofd, ik ben warrig. Pas na de telefoon met hem snap ik waar het vandaan komt.

Hij wenst me beterschap en ik voel warmte.

Intussen werk ik wat gedichten af voor een wedstrijd en volg ik wat ik weken terug in mijn agenda schreef: “de week van het zwart gat”, de opstart van een blog. Het leidt tot druk die op dat moment te veel is.

Ik probeer en loop vast in stress: hoe werkt dat, een WordPress website? En moet ik niet eerst uitvissen hoe ik een “abonneer”-knop kan installeren? En de vormgeving moet toch ook in orde?

Het perfectionistische-uitstel spook is niet helemaal verdreven.

Januari 2021

Ik noteerde rond de jaarwisseling verschillende keren in mijn dagboek “Ik wil AI leren”. AI van Artificiële Intelligentie, moderne programmeertechnieken. Deze maand probeer ik eraan te beginnen. Ik schrijf een ex-collega aan die in de AI-business is gestapt. Enkele weken op rij probeer ik op zijn aanraden een online instap-cursus, gericht op de leek, te beginnen. De mist en de stress zijn te groot en ik stel uit.

Uit nieuwsgierigheid begin ik elke dag tien minuten Duits te leren via Duolingo. 

Het voelt leuk en geeft structuur aan de dag. Ik herontdek dat mijn hersenen ook andere dingen kunnen leren dan dingen met de handen. Twee maanden later zal ik ermee stoppen: het begon te voelen als een werkdag. Waarom werken in ziekteverlof?

Tijdens het avondlijke brei-moment voel ik zin om een bevriend professor te contacteren, die ook heeft geworsteld met depressies en een woelig medicatieverleden achter de rug heeft. De mails die hij terugstuurt zijn lang, het kost me dagen om ze te doorworstelen – in 1 trek is een te grote opdracht.

Hij suggereert dat mijn toestand – gebrek aan energie, mist in het hoofd, makkelijk in paniek – misschien met iets anders te maken heeft: medicatie, voeding? Een vriendin van hem had een onontdekte glutenallergie. Eens ze stopte met gluten te eten was ze op enkele weken tijd iemand anders.

Aha! denk ik, ik stop de volgende dag met het eten van gluten en ga op zoek naar een geschoolde diëtiste. De dokter wil meestappen in het voedingsonderzoek.

Er komt innerlijke drang om een oud idee uit te voeren: een kinderboek over de maan. Ik bestel met bibberende handen en pijn in het lichaam een schetsboek om eraan te werken. De hele maand ligt het boek daar te liggen.

Februari 2021

We gaan op weekend naar de Ardennen. We liggen tot 9u in bed en gaan tegen 22u slapen. Een ontdekking: ik kan ’s avonds moe worden zonder een uur te zitten! Ik kan wandelen! Mijden van gluten? Het ontsnappen aan het alledaagse?

Op mijn verjaardag, 10 februari, gaan we wandelen in de sneeuw. Ik smelt intern van de stress. Ik wilde graag verrast worden en mekeppeke heeft een bezoek met mijn broers en vader geregeld. Maar ik ken de details niet (de verrassing!), ik weet niet wanneer ze komen of wat we gaan doen. Die onzekerheid is wat teveel voor me. Wanneer een vriend toevallig aanbelt met een taartje en op hetzelfde moment mijn broer opduikt achter zijn rug begeven mijn zenuwen het. Toch wat vroeg om verrast te worden 🙂 Ik word onwel, zonder me na vertrek van de vriend een half uur af terwijl mijn broeders en vader op het terras al vuur ontsteken. Ik adem in, adem uit, staar in het ijle gezeten op de trap en in de zetel, tot de mist optrekt: “Blijf in het hier en nu, Bert!” We hebben erna een fijne avond met openbaringen en veel gedeelde herinneringen. Wat doet familie toch deugd.

Ik start op bij de diëtiste en laat me door de dokter een bloedtest afnemen op allerlei mogelijke allergieën en intoleranties. Ik som in mijn hoofd en voor de psychiater alle symptomen op die ik ooit gehad heb: van onverklaarbare blauwe plekken in mijn jeugd, tot depressies, angsten, allergieën, gevoeligheid voor alcohol en gegiste producten de laatste maanden, hartkloppingen, pijn in rug, nek, schouders, spieren en pezen in de rug, ontstekingen …

Maart 2021

Mijn ziekteverlof zal opnieuw bijna aflopen, in april is dat.

Ik maak grootse plannen: ik legde in de afgelopen maanden een lijstje aan met veranderingen op het werk: herinrichting van mijn bureau, planten die ik kweekte om er te plaatsen. Ik heb een opsomming gemaakt met mogelijke sociale activiteiten. Binnenin voel ik gespleten energie: langs de ene kant veel zin in werken met al die enthousiaste jonge mensen. Langs de andere kant verschrikkelijke interne weerstand om weer te gaan zitten tussen de ruziënde proffen, de moeite om mezelf verstaanbaar te maken.

Ik bel met een collega, ik vertel erover. hij valt uit de lucht, hoort nu pas voor het eerst dat veel van mijn problemen te maken hebben met ervaringen op het werk – hij dacht dat het enkel kwam door tegenslagen uit het privéleven.

Ik herinner me de eerste stafvergadering die ik mee mocht doen. Een collega-prof zat nagenoeg de hele tijd met de armen gekruist naar beneden te kijken. Een andere zei bijna even weinig, behalve een ding over een moeilijk situatie jaren eerder. De voorzitter en een andere collega voerden tegen mekaar gesprekken met luide stem.

Een groot artikel is klaar en een collega, een goede vriend ook, die werkt in Parijs en in september naar onze groep komt, vraagt of ik wil/kan nalezen. Ik wil het graag doen: het is onderzoek dat me na aan het hart ligt, de vrucht van vijf jaar werk. Ik lees het en zie dat ik plezier heb. Een week lang lees ik elke dag 15 minuten, dat is genoeg. Het is een test voor mij: kan ik terug zulk werk doen? Wat doet dit met me? Zal ik er weken slecht van zijn, of niet?

Het is de eerste keer in mijn carrière dat namen niet alfabetisch opgesteld worden, maar volgens verdienste. Ik bel met een collega-professor die het niet eens is met mijn plaats. Ik eis mijn plek op. Het lukt wel, maar ik tril lang na: dit vond ik een heel moeilijk gesprek.

April 2021

In samenspraak met de dokter wordt mijn ziekteverlof verlengd tot eind juni.

Plots voel ik me heel slecht. Op aanraden van de diëtiste startte ik een voedingssupplement: quercetine. Ik krijg enorme hoofdpijnen, hele dagen lang, veel angsten ook. Ik halveer de dosis, zoek op waar het aan ligt: het is misschien de vitamine C zijn die erbij zit. In dezelfde periode verander ik mijn eetpatroon: we proberen een histamine-arm dieet, ook te veel histamine kan tot klachten leiden gelijkaardig aan de mijne. Van de ene dag op de andere drink ik amper thee, eet geen chocolade meer, eet veel beperkter want zoveel lekkere groenten bevatten histamine. Mijn routine van ochtendlijk schrijven met groene thee en een stukje donkere chocolade verandert in ochtendlijke routine met “infusies”, water en gevloek. 

Na enkele dagen komen de kamille- en andere kruidendranken mijn oren uit.

Plots word ik moe, moe, moe. Ik voel me de hele dag moe – iets wat ik al maanden amper gevoeld heb. Ik moet normaal echt mijn best doen om in slaap te vallen: elke avond zit ik een uur in de zetel voor het slapen gaan, te tekenen, te breien, of gewoon te zitten en te staren. Tot ik de moeheid voel. TV is uit den boze.

Nu opeens niet meer, een hele dag ben ik moe. Ik word heel verdrietig, bodemloos. Ik denk aan zelfbeschadiging, zelfmoord en vraag me heel vaak af: “Waar ben ik mee bezig? Een kinderboek, waarom? Waarom “werk” ik als ik in verlof ben? Wat is het nut van muziek maken?” 

Ik zoek mensen op: avondlijk napraten met mekeppeke, een babbel met een goede vriendin, ervaringen delen met een nicht, naar mijn broer om mijn hart te luchten. Het wordt niet beter. Ik schrijf erover, ik praat, ik doe al de dingen die me anders helpen, normaal klaart het hoofd dan op na enkele dagen. Nu niet.

In april breng ik ook een derde bezoek aan de diëtiste. Ze zegt dat ze me niet verder kan helpen. Het histamine-arme dieet dat ik probeerde maakte geen verschil, dus daar ligt het niet aan. Ik eet al heel gezond en gevarieerd, dus ze kan weinig meer doen.

De psychiater vraagt rond dezelfde tijd: “Ga je het verder doen met de huisarts?” Ik dring toch aan voor een nieuwe afspraak twee maanden later.

De psycholoog heeft me enkele weken voordien gezegd dat ik wat haar betreft verder niet hoef te komen,, als ik zelf een afspraak wil maken mag ik het doen.

Ik voel me plots zo alleen.

Net in deze periode is het zwaar: ik ben wekenlang extra snel overspannen, na de telefoonclash met de oudere collega. Bij het oudercomité help ik een alternatief schoolfeest in mekaar boksen. Die taak valt plots op een moeilijk tijdstip.

Ik wil de hele tijd de blog van “Zeven” afwerken, maar werk er enkele zinnen aan en moet stoppen, het gaat niet.

Het voelt als een herval.

Ik heb nood aan hulp maar het komt niet.

Ik spreek erover met mekeppeke, zij stelt voor om naar de dokter te gaan. Dat doe ik.

Ik ben trots – de oude Bert zou zo doorploeteren en niet zoeken naar contact, niet zoeken naar een hulpverlener. Maar ik ben ook gealarmeerd: mijn vaste truukjes werkten niet.

Ik stop meteen met de quercetine en voel me heel snel beter.

De dokter is verbolgen over het handelen van de diëtiste:  blijkbaar heeft quercetine een bijzonder negatieve wisselwerking met mijn antidepressivum.

Ik voel me de weken erna weer alsof het weer september 2020 is: alles opnieuw leren, veel paniekaanvallen. Alsof ik opnieuw moet wennen aan het antidepressivum, alsof alles opnieuw begint. Het voelt heel slecht. Ook nu, maanden later, heb ik gelijkaardige twijfels: Waar ben ik toch mee bezig? Het gevoel van twijfel was zo enorm sterk toen in april, dat schudde ik niet snel van me af.

Mei 2021

Aan het eind van de maand delen we maaltijden uit op de school van de kinderen, bij wijze van alternatief schoolfeest.

Bij het opruimen komt het tot een ruzie tussen mij en iemand anders. Ik merk dat het me enorm veel doet: mijn hele lichaam is dagen van streek. Ik slaap wel goed, maar ben nog geprikkeld overdag. Allerlei gedachten passeren de revue, in de trant van: “vrijwilliger zijn, ik stop ermee!”.

Ik zet mijn plannen om verder te schrijven op de lange baan en neem de tijd om te herstellen, om te verwerken, om met mensen te praten over wat er gebeurd is in het weekend. Geen nieuwe trauma’s meer – maar het kost me wel behoorlijk wat energie. Energie die ik niet op overschot heb.

In hetzelfde weekend van de schoolfeest-afhaalmaaltijd vieren we de verjaardag van de kinderen. We hielden onze zaterdag vrij om, joepie het mag in coronatijden, tien mensen uit te nodigen. Tijdens het verjaardagsfeest was ik heel de dag onrustig, afwezig. Heel mijn lijf tintelde. Normaal, in die toestand van geestelijke afwezigheid en dissociate, zet ik me neer in het moment, meditatief, en kom ik tot rust. Dat is niet altijd prettig: soms wil je niet zitten, maar net doorgaan. Maar het helpt wel.  Het lukt me die dag niet. Dat vind ik jammer, want er zijn zoveel leuke mensen: mijn broers, mijn vader, mijn schoonmoeder, neefjes en nichtjes. Warme familie.

De dag was vermoeiend en beangstigend: alleen, thuis, voel ik me redelijk ok. Met andere mensen erbij is het snel op. Er is nog een lange weg af te leggen. Pffffff.

Juni 2021

Mijn ziekteverlof loopt tot 30 juni. Ik begin me intern op te jagen, te focussen op de deadline die komt. Weer stel ik liedjes maken en schrijven, uit.  Of beter: ik probeer het te doen maar voel zoveel stress wanneer ik ermee bezig ben dat ik het voorlopig loslaat.

Met het werk bel ik dat het verlof verlengd zal worden. Een collega die ik hiervoor spreek, een goede vriend ook, we hebben samengewoond, we kennen elkaar al 15 jaar en werden samen groot in onze carrières, was in maart verbaasd, toen ik zei dat veel van mijn huidige problemen met het werk te maken hebben. Ik heb het gevoel dat er een communicatieprobleem bestond op het werk: de afgelopen jaren probeerde ik het wel te zeggen, wat moeilijk was: de confrontaties en stress en situaties en ruzies enzovoort, de bitsige sfeer onder professoren op dezelfde afdeling, de onuitgesproken oude vetes en kwesties. We wisselen nu wat berichten uit over mijn lestaak die ik in september zeker niet zal opnemen.

Juli 2021

Eindelijk mag het! De paroxetine mag minderen! De psychiater heeft oren naar mijn klaagzang dat het toch moeilijk is, die pillen. Ze laat innemen zorgt voor mistige ochtenden, ze vroeg nemen voor moeilijk inslapen.

“Maar als vroeg innemen niet goed is, en laat ook niet, dan is die medicatie toch niet goed?” “Bingo!” denk ik. Ik voel me als senator Cato uit het oude Rome die elke redevoering besloot met de suggestie om Carthago, een concurrerende stad in het huidige Tunesië, te vernietigen. Hij haalde zijn gram na veel herhaling van de boodschap.

De psychiater stelt andere dingen voor, zoals Wellbutrin – een product dat werkt op noradrenaline en dopamine.

“Nee! dat niet!” zeg ik, niet mijn twee foute vrienden, op hen heb ik jaren geleefd. Sporten en me oppeppen voor de werk-emails en de lastige beslissingen en meetings – de noradrenaline doen stromen.

En na een moeilijke beslissing iets lekkers eten, belonen met tv kijken, of andere leuks dingen – de dopamine mijn vingers doen tintelen. Zo kwam ik mijn dag door, om dan ’s nachts niet te slapen en in het weekend een vod te zijn.

Nee dank u!

Ik krijg toestemming om de medicatie af te bouwen, langzaam. Afbouwstrips bestaan niet – nochtans zijn de onttrekkingsverschijnselen niet van de poes.

De huisarts laat de apotheek een kleinere dosis mengen. Per vier weken een beetje eraf. De eerste afbouw, van 10 mg naar 7 mg per dag: 10 dagen lang heb ik last van duizelingen, elektrische schokken in mijn armen, trillende vingertoppen en lippen bij beweging, opstaan, plotse bewegingen. Misselijk, hoofdpijn. Ook angstaanvallen, afwezig zijn.

Het is net op tijd weg voor onze vakantie.

Augustus 2021

En dan is het weer augustus.

De eerste week van augustus staan er bezoeken aan de “hulpverleners” gepland. Mijn jongere broer spreek van de “professionals”. En hoe het gesprek met een professional zo helpt. We lachen er wel eens mee – als we nu gewoon in onze jeugd hadden geleerd om gevoelens te uiten en te praten, dan zouden we met een gesprek met vrienden toekomen. Maar gelukkig zijn er professionals voor ons.

Ik spreek met de huisdokter, met de psychiater, met de traumapsycholoog. Het daagt me dat gaan werken in september, zelfs deeltijds, een alternatieve realiteit is die zich in mijn hoofd heeft genesteld maar niet in de hoofden van de professionals. Al enkele weken heb ik veel pijn in mijn rug, en ook op mijn borstkas. Die steekt des te meer op als ik de werk-aanpak en de sfeer onder collega’s concreet maak in mijn hoofd, of op papier, of in gesprek met anderen.

Mijn concentratie is niet top, een film kijken lukt me half …

Veel pijn in het lichaam en stressgevoeligheid. Ik denk aan vanalles wat me diep raakte over de jaren en waartegen ik me weinig weerde.

Ik vind het moeilijk om te aanvaarden dat ik een pak langer thuis zal zijn: ja de dokters hebben gelijk, ik ben niet klaar, niet hersteld.

Ik had al aanvaard dat mijn huidige toestand voor de rest van mijn leven zou zijn. Misschien hoeft dat echter niet. Hoe fijn zou het zijn om weer te sporten zonder pijn, te leven zonder onverwachte dips en nood aan uren slaap overdag? Met meer tijd voor herstel, wie weet?

Ik heb zin in onderzoek doen, met mijn doctoraatsstudenten en jonge onderzoekers werken. Hun enthousiasme zien en delen. Samen creatief zijn, voor het bord staan en ideeën en formules opschrijven. Mijn nieuwste artikels afwerken en presenteren op conferenties.

Of voor de klas staan – een kleine groep van een 30-tal fysici. Of om het geld van mijn beurs aanwenden om wat wetenschapscommunicatie te doen.

De goesting is er, maar hij stokt.

Ik heb de afgelopen maanden geëxperimenteerd: een afgewerkt artikel nagelezen, een aanbevelingsbrief geschreven voor een student, het dossier voor een evaluatie halfweg nagelezen, contact met enkele collega’s per telefoon, afspraken voor mijn herintrede op de werkvloer. Elke keer gaf het een ontdekking om mijn intellectuele capaciteiten terug te zien, maar het gaf bovenal veel stress en fysieke klachten.

Deze keer aanvaard ik dat herstel afstand vraagt. Het is stevig rouwen: om wat ik niet meer kan, om wat niet meer gaat nu.

Er wachten maanden van thuis zijn.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *